Hoogbegaafdheid

- Meervoudig Begaafd

door José van der Sman
Elsevier april 1999

Het IQ heeft afgedaan. Volgens Harvard-geleerde Howard Gardner zijn er minstens acht soorten intelligentie te onderscheiden.

De verbale vermogens worden getest aan de hand van het benoemen van synoniemen en tegenstellingen, en het sorteren van woorden. Het ruimtelijke inzicht meet men af aan het knippen, draaien en sorteren van figuurtjes. Al met al duurt de standaard-intelligentietest voor kinderen aan het einde van de basisschool niet meer dan een uur. Dat acht men in de testindustrie vooralsnog voldoende om met grote stelligheid de verstandelijke aanleg, lees: intelligentie, van een kind te kunnen bepalen en van een cijfer te voorzien: het IQ.

Menig ouder en onderwijzer zijn al in de lach geschoten bij het zien van de uitslag en beseffen de betrekkelijkheid ervan. Want niet alleen hebben de IQ-bepalers geen rekening gehouden met zaken als kennis, concentratie en motivatie; ook gaan zij in hun simpele tests volkomen voorbij aan de sociale vaardigheden, mensenkennis, muzikaliteit, waarnemingsvermogen en aan wat al niet voor andere voorwaar verstandelijke capaciteiten die een kind aan de dag kan leggen. Vermogens waarvan de ouders weten dat die minstens even bepalend kunnen zijn voor succes in het leven als de twee cognitieve factoren - verbale en analytische vaardigheden - die traditioneel de intelligentie van een mens bepalen. Die beperkte definitie van de menselijke intelligentie heeft haar langste tijd gehad. In de reeds honderd jaar durende wetenschappelijke discussie erover verliezen de traditionalisten steeds meer terrein aan de aanhangers van de meervoudige intelligentietheorie.

Grondlegger van die theorie, kortweg aangeduid als MI, is de Amerikaanse Harvard-geleerde Howard Gardner. In een speciaal nummer over intelligentie van The Scientific American veegt hij de vloer aan met de psychometristen die intelligentie hebben teruggebracht tot twee objectief meetbare factoren en de rest van de niet zo gemakkelijk meetbare menselijke capaciteiten afdoen als talenten. `Met hun beperkte definitie van intelligentie devalueren zij andere capaciteiten,' stelt Gardner onomwonden. Zo is in hun opvatting een orkestdirigent wel zeer getalenteerd, maar niet per definitie intelligent. Ik vind het best om over talenten te spreken, maar laten we dan iemands verbale en analytische vermogens ook talenten noemen.

Gardner betoogt dat ieder mens minstens acht verschillende typen intelligenties in zich heeft die niet noodzakelijk met elkaar samenhangen, en van zeer verschillend niveau kunnen zijn. Zo kan een mens bijzonder muzikaal intelligent zijn zonder ook maar enige verbale vaardigheid aan de dag te leggen. Een taalvirtuoos is niet vanzelfsprekend ook een rekenwonder. Gardner: `In plaats van te denken dat ieder mens een bepaalde intellectuele paardenkracht, ofwel IQ heeft dat in verschillende richtingen kan worden gestuurd, ga ik ervan uit we verschillende, van elkaar onafhankelijke capaciteiten hebben.'

Om te voorkomen dat alles maar intelligentie kan worden genoemd - zoals Gardners critici tegenwerpen -, heeft hij een aantal stevige criteria ontwikkeld waaraan vaardigheden, talenten en capaciteiten moeten voldoen om in aanmerking te komen voor de kwalificatie intelligentie. Voor die criteria heeft hij diverse wetenschappelijke disciplines aangeboord, variërend van taal- en wiskunde tot psychologie, culturele antropologie en neurobiologie.

Er kan volgens Howard Gardner pas van een intelligentie gesproken worden als zij:

  • afzonderlijk beschadigd kan raken bij aantasting van hersendelen. Denk bijvoorbeeld aan afasie (aantasting van de taalvaardigheid) na een beroerte
  • zich op uitzonderlijke wijze manifesteert in mensen die op andere terreinen ver achterblijven. Denk bijvoorbeeld aan autistische rekenwonders
  • opgebouwd is uit diverse vaardigheden die nauw met elkaar samenhangen (muzikale intelligentie bijvoorbeeld vergt een sterk gevoel voor melodie, harmonie, ritme, timbre en muzikale structuur)
  • in een individu duidelijk tot ontwikkeling gebracht kan worden
  • steunt op een plausibele evolutionaire verklaring (zoogdieren bijvoorbeeld beschikken over een groot ruimtelijk inzicht)
  • duidelijk is welke delen van de hersenen er precies bij betrokken zijn
  • bestaan ervan bevestigd kan worden door psychometrische tests
  • zich leent voor `codering' in een symboolsysteem (het alfabet, cijfers, noten, landkaarten)

Sinds de jaren zeventig heeft Gardner talloze menselijke capaciteiten aan deze voorwaarden getoetst. De meeste vielen af. Zo oordeelde hij dat gevoel voor humor of seksualiteit niet als intelligentie aangemerkt kan worden. Creativiteit, wijsheid en moraliteit zijn deugden en geen intelligenties. Uiteindelijk hield hij er zeven over die wel aan alle of bijna alle voorwaarden kunnen voldoen: taal, rekenen, logisch denken, muziek, ruimtelijk inzicht, kinesthesie, zelfkennis en mensenkennis. De laatste twee worden tegenwoordig door anderen dan Gardner ook wel aangeduid als emotionele intelligentie, hoewel hij zelf meer de verstandelijke dan gevoelsmatige aspecten van zelfinzicht en inzicht in anderen benadrukt.

Halverwege de jaren negentig voegde hij een achtste intelligentie aan zijn lijst toe, die van de naturalist. De bijzondere vaardigheid om natuur1ijke objecten te herkennen en categoriseren voldoet volgens Gardner aan alle criteria. Doorslaggevend was het bewijsmateriaal dat er andere delen van de hersenen betrokken zijn bij het herkennen en benoemen van natuurlijke objecten dan bij het benoemen van door mensen gemaakte objecten. Ook blijken sommige mensen met hersenschade de capaciteit verloren te hebben om levende dingen te benoemen, terwijl ze dat bij levenloze objecten nog wel kunnen. Op dit moment is Gardner drukdoende te onderzoeken of een negende capaciteit zijn toetssteen kan doorstaan: existentiële intelligentie, ofwel

het menselijke vermogen om fundamentele vragen over het bestaan, leven, dood en eindigheid op te werpen en te doorgronden. `Of existentiële intelligentie deel mag gaan uitmaken van het heilige der heiligen hangt vooral nog af van de vraag of er in de hersenen een duidelijke neurale basis voor te vinden is,' aldus Gardner.

Gardner benadrukt dat zijn meervoudige intelligentietheorie past in de wetenschappelijke trend om meer multidisciplinair te gaan denken en onderzoeken. Zijn `MI-theorie' is gestoeld op empirisch bewijsmateriaal uit verschillende wetenschappelijke disciplines. `Wetenschappelijk gezien staan de aanhangers van het enkelvoudige IQ (ook wel aangeduid als G ofwel general intelligence) in toenemende mate alleen.'

Hij hekelt het feit dat desondanks in de praktijk de meeste intelligentietests nog altijd uitsluitend taalvaardigheid, analytisch vermogen en ruimtelijk inzicht meten en alle andere uitingen van verstandelijk vermogen buiten beschouwing laten. `Het wordt hoog tijd het begrip intelligentie zodanig te verbreden dat het ook de verstandelijke vermogens omvat van een mens om te musiceren, zichzelf en anderen te begrijpen en de natuurlijke wereld te ontraadselen.'

lees ook: ACHTMAAL GENIAAL

22/08/2005 - Stichting Plato - Wateringen.