Inloggen Winkelwagen ZorgOuders
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


 

Werken met begaafde leerlingen in het voortgezet onderwijs

Het C&V model in het VWO
Systematisering en flexibilisering van het onderwijs aan begaafde leerlingen
door Marianne Pluymakers en Pieter Span, Psychologische Adviespraktijk Begaafden Utrecht (PABU).

In een gemiddelde vwo klas gaan begaafde leerlingen zich al snel vervelen, omdat de leerstof voor hen gemakkelijk is en veel herhaling bevat. Zonder veel inspanning maken ze zich de stof in snel tempo eigen. Dit komt doordat begaafde leerlingen een andere manier van informatieverwerking hebben. Ze hebben een goed functionerend geheugen, ze kunnen gemakkelijk verschillen en overeenkomsten signaleren tussen oude en nieuwe kennis, komen snel tot inzicht en zien toepassingen waar andere leerlingen dat niet zien. Zij zijn - veel meer dan hun leeftijdgenoten - in staat zelf problemen en oplossingen te zoeken in plaats van na te doen wat de leerkracht voordoet. Deze andere manier van informatie opnemen, verwerken en toepassen leidt er toe dat ze ook sneller kunnen werken: afhankelijk van de leerstof (bijv. het leren van Franse woordjes of wiskunde) is hun leer- en werktempo twee tot vier keer hoger dan dat van klasgenoten.

Een hoge intelligentie leidt niet vanzelf tot hoge prestaties
Feitelijk kan er pas van hoogbegaafd worden gesproken indien over langere tijd excellente prestaties op een of meerdere gebieden worden geleverd. Bij kinderen kan daarom eigenlijk nog niet van 'hoogbegaafd' worden gesproken, maar is het beter om te zeggen dat deze goede leerlingen "het potentieel hebben te zijner tijd excellente prestaties te leveren" (Span, de Bruin en Wijnekus, 2001). Of een voorlijk kind zich ontwikkelt tot een goede leerling en uiteindelijk komt tot uitzonderlijke prestaties op een bepaald gebied, is - zo meent de Amerikaanse psycholoog Feldman - voor een groot deel van het toeval afhankelijk. Een optelsom van gunstige en minder gunstige omstandigheden bepaalt de uitkomst. Omstandigheden zijn niet altijd te beïnvloeden: de plaats in de kinderrij is een gegeven, zo ook het geslacht, de vooropleiding van de ouders etc. Bovendien kan één factor doorwerken op een of meer andere. De school kan op specifieke wijze invloed uitoefenen op de ontwikkeling van veelbelovende leerlingen: door andere leerstof en door een andere didactiek. Aangetoond is dat het talent zich pas doorzet als leerlingen plezier beleven aan de (leer)activiteiten (Csikszentmihalyi, 1993).

Zitvlees
Begaafde leerlingen laten pas bij echt moeilijke taken zien wat ze kunnen. Door het werken met moeilijke leerstof kunnen ze - net als de andere leerlingen op school - 'zitvlees' ontwikkelen. Dan pas kunnen zij persoonlijkheidseigenschappen ontwikkelen, zoals doorzettingsvermogen, uitstel - en frustratietolerantie en verantwoordelijkheidsbesef. Door het oplossen van moeilijke taken kan ook de begaafde leerling competentiegevoelens ontwikkelen. De Nederlandse psycholoog Lodewijks noemde dit de "kick van het kunnen". Dit op zijn beurt motiveert hen weer om door te zetten. Kwaliteiten als frustratietolerantie e.d. zullen hen in staat stellen in de toekomst hoogbegaafde prestaties te leveren. Differentiatie van de leerstof is dus in eerste instantie niet bedoeld om nog meer kennis op te doen, maar dient voor de ontwikkeling van een optimale werkhouding.

Compacten en Verrijken, het C&V model
Op school moeten begaafde leerlingen niet worden overgelaten aan hun lot, maar actief worden gestimuleerd. Veel talent gaat verloren doordat er onvoldoende rekening wordt gehouden met de capaciteiten van begaafde leerlingen. De aangeboden leerstof bevat te weinig ruimte voor het oefenen met zelfregulatie. Het kan ook anders. 'Compacten en verrijken' (C&V) is een structurele methode om het onderwijs aan te passen aan de mogelijkheden en behoeften van begaafde leerlingen. Onderpresteren en/of het voortijdig de school verlaten kunnen daardoor worden voorkomen. Doordat de docent het reguliere programma 'indikt ('compact') wordt tijd vrijgemaakt voor het aanbieden van verrijkingsactiviteiten. Na het verminderen van oefeningen en wegstrepen van herhaling blijft een nieuw stuk leerstof over, dat appelleert aan de leergierigheid en zelfstandigheid van de begaafde leerlingen. De leraren maken van deze resterende leerstof een 'compactschema': een schematisch overzicht dat gekoppeld wordt aan een tijdschema. Het laat zich goed vergelijken met een werkwijzer uit het Studiehuis. In de tijd die begaafde leerlingen op deze wijze besparen, gaan zij aan de slag met verrijkingstaken. Taken voor begaafde leerlingen moeten in ieder geval drie zaken omvatten: het moet gaan om nieuwe en moeilijke kennis, om nieuwe vaardigheden en om een nieuw (origineel) eindproduct. De inhoud mag niet vooruitlopen op stof van de hogere leerjaren. De taak moet zo moeilijk zijn dat de leerlingen deze alleen met begeleiding en door samenwerking met anderen (leerlingen en docent) tot een goed einde kunnen brengen. Zo leren de begaafde leerlingen in de loop van de eerste drie jaar in het vwo hun eigen leerprocessen op de juiste wijze reguleren: er is een ontwikkeling van docentregulatie naar zelfregulatie. Ervaringen die in de basisvorming worden opgedaan met de didactiek voor begaafde leerlingen kunnen in het Studiehuis benut worden voor alle leerlingen.

Curriculum Compacting to Challenge the Above-Average
De C&V methode is gebaseerd op de aanpak van de Amerikanen Renzulli en Reis (1992). Pieter Span en Marianne Pluymakers van de Psychologische Adviespraktijk Begaafden Utrecht (PABU) hebben - onder de naam C&V - de werkwijze van curriculum compacting and enrichment bewerkt voor de Nederlandse schoolsituatie. In Nederland wordt C&V hoofdzakelijk uitgevoerd in het voortgezet onderwijs, maar C&V kan ook worden toegepast in het basisonderwijs.

Een van de uitgangspunten van de C&V methode is dat er curriculum-nabij wordt verrijkt: een wiskundetaak in de wiskunde-uren. De docent blijft de centrale figuur, verantwoordelijk voor het onderwijs aan alle leerlingen. Het plezier dat hij beleeft aan zijn beste leerlingen, wordt hem niet ontnomen. Wanneer de C&V methode wordt gebruikt daalt het niveau van het onderwijs in de klas niet door het verdwijnen van de beste leerlingen. Een ander voordeel is dat de begaafde leerlingen door hun klasgenoten niet als buitenbeentjes worden beschouwd. Zij zijn immers - net als de klasgenoten - tijdens de wiskundeles bezig met wiskunde.

Systematisering en flexibilisering zijn kernbegrippen van de PABU in de begeleiding van vwo scholen. Flexibiliteit betekent dat er gewerkt wordt binnen de mogelijkheden van de betrokken school. Scholen verschillen in onderwijsfilosofie, in accommodatie (gebouw, leermiddelen), in docentencorps (vooropleiding, nascholing, leeftijd, geslacht, betrokkenheid), in jaartaakurenbeleid, in leerlingen en in organisatiestructuur. Een analyse van de beginsituatie maakt duidelijk hoeveel kans van slagen een structurele aanpak van het onderwijs aan begaafde leerlingen heeft binnen een school. Systematisering wil zeggen dat - bij alle flexibiliteit - het schoolbeleid er op gericht is structureel - en niet slechts af en toe - aandacht te besteden aan begaafde leerlingen. Scholen die zich op deze wijze profileren bieden in elk leerjaar van de basisvorming in twee á drie vakken een aangepast curriculum aan. Begaafde leerlingen worden op basis van duidelijke criteria geselecteerd om deel te nemen aan C&V en werken bij voorkeur in twee - of drietallen. De docenten van verschillende vakgebieden worden getraind in het uitvoeren van het compacten en verrijken.

PERDIX, een netwerk van scholen

Een vijftal scholen die door de PABU enkele jaren werden begeleid bij de uitvoering van het C&V model, hebben het initiatief genomen tot het opzetten van een landelijk netwerk 'Compacten en Verrijken'. Hun inspanningen resulteerden erin dat in 1999 de Stichting PERDIX in het leven werd geroepen. De stichting organiseert onder meer docenttrainingen C&V. Deze trainingen hebben het karakter van workshops: naast een literatuurstudie en het maken van enkele opdrachten thuis wordt tijdens de bijeenkomsten gewerkt aan het zich eigen maken van de materie.

De coördinatie en de docenttrainingen van de Stichting PERDIX zijn ondergebracht bij de lerarenopleiding van de Universiteit Utrecht (IVLOS). Informatie kan worden gevraagd bij de coördinator van PERDIX: drs. H. Wientjes, tel. 030-253 42 60. E- mail: h.wientjes@ivlos.uu.nl

Literatuur:
- Het testen van hoogbegaafde kinderen. Suggesties voor diagnostiek en begeleiding. Span, P., M. Wijnekus en A. de Bruin. Samsom, Alphen a/d Rijn, 2001.
- Onderwijs aan begaafde leerlingen in het voortgezet onderwijs. Pluymakers, M. en P. Span. Samsom, Alphen a/d Rijn, 2001.
- Using Curriculum Compacting to Challenge the Above-Average. Reis, S. and J. Renzulli, in: Educational Leadership 50,1992.
- The Roots of Success & Failure. Csikszentmihalyi, M.K., R. S. Whalen. Cambridge University Press, 1993.
- Docentennetwerken begeleiden. Jansen, B. Garant, Leuven/Apeldoorn, 1996.

De Psychologische Adviespraktijk Begaafden Utrecht (PABU) is elke werkdag - behalve op woensdag - direct telefonisch bereikbaar van 9.00-9.45 uur onder 030 2511 995.

De PABU is een vrijgevestigde praktijk van een psycholoog, een pedagoog en een onderwijskundige, waar opvoeders (ouders, verzorgers, leraren) die menen dat de problemen rondom een kind te maken hebben met zijn begaafdheid, terecht kunnen.

Ook volwassenen kunnen zich met vragen over (hoog)begaafdheid tot de praktijk wenden. Scholen die geïnteresseerd zijn in het onderwijs aan (hoog)begaafde leerlingen kunnen eveneens worden geïnformeerd en worden begeleid.

E-mail: PABU@wxs.nl. Internet: www.hoogbegaafdheid.com


Copyright 1998-2010 (c) Landelijk Informatiecentrum Hoogbegaafdheid
Informatielijn:  +31 (0) 174-294710 (09:00-17:00)  -  info@lich.nl