Intelligentie-testen

 

 

 

Leidse diagnostische test (LDT)

Doel                 Bepaling van het intelligentieniveau

Populatie          Kinderen van 4 tot 8 jaar

Beschrijving      De test is ontwikkeld naar een heuristisch model van Mark

en scoring         betreffende de hiërarchische organisatie en ontwikkeling van

                         functies binnen kanalen (gekarakteriseerd aan de hand van

                         input-output combinaties: bijv. visueel-motorisch kanaal). Er

                                   zijn acht subtests met ieder een kenmerkende input-output

                         combinatie. Hierdoor is het mogelijk de 'probleemkanalen' te analyseren

                         (profiel). De subtests zijn: Blokpatronen, Vouwblaadjes,

                         Natikken, Woordenspan, Plaatjes, Aanwijzen, Zinnen nazeggen,

                        Verhaaltje Vragen en Begrip en Inzicht.  Afname van een verkorte

                         vorm is mogelijk.

Normen De ruwe scores van de subtests kunnen worden omgezet in standaard

                         scores. De som van de standaard scores kan worden omgezet in een

                                   Deviatie-IQ-score. De acht halfjaarlijkse leeftijdsnormtabellen zijn

                         gebaseerd op gegevens van ruim 1100 kinderen.

Tijdsduur         Ca. 50 tot 75 min. verkorte vorm: ca. 30 tot 50 min

Wijze van          Individueel door psychologen of psychodiagnostisch geschoolde

afname             orthopedagogen

 

 

 

Revisie Amsterdamse kinder intelligentietest (RAKIT)

Doel                 Bepalen van het intelligentieniveau

Populatie          Kinderen van 4 tot 11 jaar

Beschrijving      RAKIT bestaat uit 12 subtests. De subtests meten voor de  jongste            

en scoring         leeftijdsgroep (4-5 jaar): verbaal leren en -vlotheid, ruimtelijk-perceptueel 

                         redeneren, sequentieel geheugen en kwantiteit. Voor de oudste groep (5-11

                          jaar) meten de tests de volgende factoren: perceptueel redeneren, verbaal

                          leren, ruimtelijk oriënteren en tempo en verbale vlotheid. De verkorte vorm

                          bestaat uit 5 resp. 6 subtests. De ruwe subtestscores kunnen worden 

                          omgezet in standaard scores. Voor 2 subtests (Verbale Analogieën en

                          Exclusie) zijn leer-potentieelprocedures ontwikkeld. Bij de tweede oplage van

                          de RAKIT worden twee speciale handleidingen toegevoegd: één voor het

                          speciaal onderwijs en één voor kinderen met een allochtoon-etnische

                          achtergrond. Subtestscores kunnen worden omgezet in factor- en (verkorte

                          vorm) deviatie-IQscores. Normen voor allochtone kinderen en leerlingen   

                          in het speciaal onderwijs zijn beschikbaar.

Tijdsduur           Ca. 2 tot 2,5 uur

Wijze van          Individueel door psychologen of psychodiagnostisch geschoolde

afname              orthopedagogen.

 

Snijders-Oomen Non-verbale Intelligentietest  (SON-R)

Doel                 Bepalen van het intelligentieniveau                     

Populatie          Niet-verbale Intelligentietest voor kinderen van 2,5 tot 17 jaar; geschikt

                        voor doven en slechthorenden, taal- en spraakgestoorden, geremde en

                        moeilijk motiveerbare kinderen en allochtonen.

Beschrijving      De SON-R  2,5 - 7 is de nieuwe versie van de Snijders-Oomen

en  scoring        Niet-verbale Intelligentietest voor kinderen en is een instrument voor

                        diagnostisch onderzoek.De test bevat 7 subtests: Categorieën, Analogieën

                        en Situaties (meerkeuzetest) en Stripverhalen, Mozaïeken, Patronen

                        en Zoekplaten (handelingstests).

                        

            De verkorte versie bestaat uit 4 subtests.De subtests zijn in te delen

                        in vier typen: Abstract redeneren (Categorieën en Analogieën),

                        concreet redeneren (Situaties en  Stripverhalen), ruimtelijk (Mozaïeken

                        en Patronen) en perceptueel (Zoekplaten). Er wordt een verbale

                        en een niet-verbale instructie beschreven. Bij 6 subtests wordt met

                        een adaptieve afnameprocedure gewerkt; na elk item krijgt men

                        feedback. 

Tijdsduur           Ca.1,5 uur; verkorte versie ca. 45 min.

Normen Bij de test worden de prestaties van een kind op zes verschillende

                        subtests samengevat in een intelligentiescore die aangeeft hoe

                        goed het kind presteert ten opzichte van leeftijdgenoten.

Wijze van          Individueel door psychologen of  psychodiagnostisch geschoolde

afname             orthopedagogen

 

 

 

Wechsler intelligence scale for children – Revised (WISC-III)

Doel                 Bepalen van het intelligentieniveau

Populatie          Kinderen van 6 tot 16 jaar

Beschrijving      Zes verbale (informatie, overeenkomsten, rekenen, woordkennis, begrijpen, 

                         cijferreeksen) en zeven niet-verbale subtests (onvolledige tekeningen,  

                         plaatjes ordenen, blokpatronen, figuurleggen, substitutie deel A en B,

                         doolhoven, symbolen vergelijken deel A en B).

                        Elke subtest heeft een oplopende moeilijkheidsgraad; voor elke subtest

                         worden begin- en afbreekregels gegeven. Bij verschillende subtests wordt

                         met tijdslimieten gewerkt. Ruwe subtestscores worden omgezet in

                         genormaliseerde standaardscores. Optelling van de standaardscores van

                         diverse combinaties van subtests levert een somscore op die weer kan

                         worden omgezet in een IQ-score.

Normen            Er is één normgroep voor Nederlandse en Vlaamse kinderen.

Tijdsduur           Ca. 2 uur

Wijze van          Individueel door psychologen of psychodiagnostisch geschoolde 

afname             orthopedagogen

 

 

 

WPPSI voor kleuters

Doel                 Bepalen van het intelligentieniveau

Populatie          Kinderen van 4 tot 6 ½ jaar.  

Beschrijving      Het bestaat uit zes verbale sub-

en scoring        tests (vragen die mondeling gesteld worden en mondeling beantwoord):

                        informatie, begrijpen, rekenen, woordenschat, overeenkomsten en zinnen

                         en vijf performale subtests (opdrachten op papier of ruimtelijk)

                         geometrische  figuren, blokpatronen, doolhoven, onvolledige tekeningen,

                        dierenhuis. Er wordt gewerkt met puzzels, doolhof, blokjes en

                         vouwblaadjes.

Normen De uitslag is een totaal IQ, een verbaal en performaal IQ

Tijdsduur           50 – 75 minuten

Wijze van          Individueel door psychologen of psychodiagnostisch geschoolde

afname             orthopedagogen

                       

                           

 

 

 

 

 

 

Verschillende beroepstermen

 

 

Eerstelijnspsycholoog
De eerstelijnspsycholoog is een psycholoog die zich heeft gevestigd in de eerstelijnsgezondheidszorg. De aanduiding 'eerste lijn' betekent dat de cliënt zich ook zonder doorverwijzing bij de eerstelijnspsycholoog kan aanmelden. Echter, als de eerstelijnspsycholoog via de verzekering kan worden vergoed, is een doorverwijzing van de huisarts nodig.

Eerstelijnspsychologen werken vanuit een brede invalshoek. Zij hebben zich niet in één bepaalde richting gespecialiseerd. Zij hanteren een probleemgerichte aanpak; er wordt in de eerste plaats aan de klacht zelf gewerkt en bijvoorbeeld niet aan een uitvoerige persoonlijkheidsanalyse, zoals bij sommige vormen van psychotherapie. De aanpak van een eerstelijnspsycholoog is gericht op een kortdurende behandeling van gemiddeld zo'n tien sessies. In sommige gevallen zal de eerstelijnspsycholoog doorverwijzen naar een andere vorm van zorg, zoals een RIAGG. Sommige verzekeraars vergoeden enkel gekwalificeerde eerstelijnspsychologen die tevens lid zijn van een ROEP (Regionaal Orgaan Eerstelijnspsychologen). In een ROEP zijn binnen een regio een aantal gekwalificeerde eerstelijnspsychologen georganiseerd. Zij behartigen in dit verband gezamenlijk hun belangen.
Opleiding
Om gekwalificeerd eerstelijnspsycholoog te worden is een specifieke combinatie van opleiding, werkervaring en methode van werken vereist. De opleiding tot gekwalificeerd eerstelijnspsycholoog is een praktijkgerichte opleiding waarin de psycholoog ongeveer één jaar werkt onder supervisie van een ervaren collega. De psycholoog die aan de eisen van de kwalificatieregeling voldoet, kan zich laten inschrijven in het register van eerstelijnspsychologen van het NIP.

 

 

Gezondheidszorgpsycholoog (gz-psycholoog)
De gezondheidszorgpsycholoog (gz-psycholoog) is een generalist, die inzetbaar is in alle sectoren van de gezondheidszorg.

De gz-psycholoog is een zelfstandig

behandelaar van psychische stoornissen en van psychische aspecten bij lichamelijke ziekten, invaliditeit en problemen in de levenssfeer.

De deskundigheid van de gz-psycholoog ligt

in de toepassing van psychologische kennis en vaardigheden met als hoofdtaken diagnostiek en behandeling.

De gz-psycholoog beschikt niet over de hele psychotherapeutische deskundigheid, wel over deeltechnieken.
Opleiding
De opleiding tot gz-psycholoog is een postdoctorale beroepsopleiding van twee jaar fulltime. De opleiding bestaat uit een dag per week cursorisch onderwijs en vier dagen per week praktijkervaring in een erkende praktijkinstelling. Het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) houdt een
BIG-register van gekwalificeerde gezondheidszorgpsychologen bij. Gezondheidszorgpsycholoog is een beschermde titel en mag alleen gevoerd worden door iemand die ingeschreven staat als gezondheidszorgpsycholoog in het BIG-register.

 

 

Klinisch psycholoog
De geregistreerde klinisch psycholoog is een specialist. De klinisch psycholoog is gespecialiseerd in de psychodiagnostiek van het gehele psychologische veld. De klinisch psycholoog beheerst de psychotherapie, waarin gebruik wordt gemaakt van specifieke behandelmethoden.

Op basis van deze methoden en in samenwerking met de cliënt wordt getracht stemmingen, gedragingen en houdingen van de cliënt te beïnvloeden met de bedoeling psychische stoornissen, afwijkingen of klachten te doen verdwijnen of verminderen.

Daarnaast beheerst de geregistreerd klinisch psycholoog ook de overige psychologische behandelmethoden, zoals advisering, begeleiding,counseling en vaardigheidstrainingen. De klinisch psycholoog is een gespecialiseerde gezondheidszorgpsycholoog (op basis artikel 14 wet BIG).
Opleiding
De opleiding tot klinisch psycholoog is een postdoctorale beroepsopleiding (na de universiteit) van ongeveer vijf jaar (fulltime). De opleiding is praktijkgericht; eenderde van de opleiding bestaat uit theoretisch en praktisch onderwijs in de klinische psychologie. Erkende klinisch psychologen staan ingeschreven in het register van het NIP.

 

 

Psycholoog NIP
De titel PSYCHOLOOG NIP is door het NIP ingesteld toen in 1993 de wettelijke bescherming van de titel 'psycholoog' wegviel. Vanaf die datum mag iedereen zich psycholoog noemen en biedt het vermelden van 'psycholoog' bij de naam dus geen waarborg meer voor de kwaliteit van de dienstverlening.

De titel PSYCHOLOOG NIP mag gebruikt worden door NIP-leden die aan bepaalde eisen voldoen. Met een PSYCHOLOOG NIP heeft men met een 'echte' psycholoog te maken.

PSYCHOLOOG NIP is een basiskwalificatie. De titel zegt niets over de verdere specialisatie van een psycholoog na de universitaire opleiding.
Opleiding
NIP-leden die zijn afgestudeerd als psycholoog aan de universiteit en enige werkervaring als psycholoog hebben opgedaan, kunnen het gebruiksrecht van de titel PSYCHOLOOG NIP verwerven.

 

 

Registratieregeling Kinder- en jeugdpsychologen

Per 1 januari 1997 is de registratieregeling kinder- en jeugdpsychologen van start gegaan. Deze regeling heeft tot doel de specifieke deskundigheid van kinder- en jeugdpsychologen expliciet te maken en te bewaken. Wat betreft niveau is de regeling vooralsnog afgestemd op de overheidsregistratie gezondheidszorgpsycholoog (wet BIG); in een later stadium zal ook registratie op specialismenniveau tot de mogelijkheden behoren. Tot 1 januari 1998

is een tijdelijke instroomregeling van kracht geweest voor al werkende kinder- en jeugdpsychologen; in 1999 is de reguliere regeling in werking getreden.

 

 

BIG-register

In het BIG-register vindt u informatie over apothekers, artsen, fysiotherapeuten, gezondheidszorgpsychologen, psychotherapeuten, tandartsen, verloskundigen en verpleegkundigen. Alleen wie in het register is ingeschreven, mag de door de wet beschermde titel voeren. De deskundigheid van wie geregistreerd staat, is hiermee voor iedereen herkenbaar.

U kunt bij het BIG-register navragen:

-           of iemand met recht de beroepstitel voert

-           of de inschrijving van een persoon is geschorst en voor hoelang

-           of een ingeschrevene gedeeltelijk ontzegd is van de bevoegdheid het beroep uit te

            oefenen, voor welke handelingen en voor hoelang

-           of aan een ingeschrevene voorwaarden zijn gesteld, welke dat zijn en voor

            hoelang.


 

Landelijk overkoepelende belangenorganisatie

(Hier kan men terecht voor aanvullende informatie en eventuele klachten over bij deze organisatie aangesloten personen)

 

 

Beroepsvereniging BOKA (voor Ortho-pedagogen en Klininsch Pedagogen)

Secr. Dr. J.P. Nelissen

Havenstraat 26

5211 WC Den Bosch

073-6130212

Activiteiten:

-           stem laten horen bij beleidsbeslissingen door o.a. overheid

-           het beroep (ortho)pedagoog maatschappelijk onder de aandacht brengen

-           onrechtvaardigheden rond de huidige (wettelijke) registratiesystemen voor  

            (ortho)pedagogen   aan de kaak stellen

-           beroepsbekwame opleiding voor (ortho)pedagogen binnen de reguliere universitaire

             opleidingen

-           eerlijke beroepskansen voor alle (ortho)pedagogen

-           opkomen voor (ortho)pedagogen die tussen wal en schip dreigen te vallen o.a. door

             de Wet BIG

 

Een orthopedagoog of (klinisch)pedagoog-BOKA moet voldoen aan de eisen van een geëigende vooropleiding. Bovendien is het uitgangspunt van BOKA dat orthopedagogen zich blijvend in hun vak op de hoogte dienen te houden van de nieuwste wetenschappelijke theorieën en ontwikkelingen. Orthopedagogen en (klinisch)pedagogen die aan deze vereisten voldoen kunnen in aanmerking komen voor registratie als orthopedagoog- of (klinisch)pedagoog-BOKA. Alleen orthopedagogen die aangesloten zijn bij onze organisatie mogen zich orthopedagoog-BOKA noemen.

BOKA is dus een waarborg voor een goede orthopedagogische dienstverlening!

 

 

NIP ( Nederlands Instituut van Psychologen)

Postbus 9921

1006 AP Amsterdam

020-4106222

Activiteiten:

-           goede theoretische en praktische opleiding van psychologen

-           kwaliteitsbewaking en –bevordering

-           professionele ondersteuning van beroepsbeoefenaren

-           bescherming van de maatschappij tegen activiteiten van onbevoegden

-           voorlichting aan mensen binnen en buiten het vak

Algemene Doelstelling:

bevorderen van de beoefening van de psychologie binnen Nederland

dienen van de maatschappelijke belangen en de beroepsbelangen van psychologen

bieden van een platform aan de leden voor uitwisseling van kennis en ervaring

 

 

NVO  (Nederlandse Vereniging van Pedagogen en Onderwijskundigen)

Korte Elisabethstraat 11

3511 JG Utrecht

030-232240

Activiteiten:

-           behartigt de beroepsbelangen van haar leden

-           zorgt voor kwaliteitsbewaking en deskundigheidsbevordering

-           biedt professionele ondersteuning, geeft advies en informatie

-           stimuleert de onderlinge contacten tussen beroepsgenoten

 

 

 

 

Woorden die te maken hebben met hoogbegaafdheid

 

Analoge/simultane werkwijze

Men is beeldend/handelend van aard en is gericht op synthese. Bij probleemoplossing is men meer gericht op het zien van verbanden binnen een geheel.

 

Beelddenken

Denken in beelden en gebeurtenissen ook wel ruimtelijk denken genoemd

 

Compacten

De klassikale lesstof wordt niet volledig gemaakt, maar “ingedikt”. De vele herhalingen worden achterwege gelaten. De leerling krijgt van de docent een compactschema waarin staat wat van de leerstof wel en wat niet gedaan moet worden. Tijdens het compacten zitten de leerlingen gewoon in de klas.

Bij enkele vakken is er geen compactschema, maar is er voor de leerlingen de mogelijkheid om sneller door de leerstof te gaan. Dan wordt wel eerst met de leraar overlegd. In beide gevallen zullen de leerlingen veel eerder met de lesstof klaar zijn dan de rest van de klas, zodat er tijd vrijgemaakt kan worden voor andere zaken.

 

Convergent denken

Taken waarbij één oplossing de juiste is

 

Depressie

Het kwaad zijn op jezelf of op een situatie waarover je weinig of geen controle hebt

 

Didactiek

Didactiek is kennis en kunde omtrent het organiseren en faciliteren van leren. Dit is een zeer ruime beschrijving. De didactiek die in een bepaalde onderwijssetting nodig is hangt af van onderwijsvorm en gebruikte leermiddelen. Het netjes opschrijven van je leerdoelen is een onderdeel van de didactiek.

didactiek: De manier waarop iets wordt onderwezen

 

Digitale/sequentiële werkwijze

Door logisch te denken en redeneren, door het zien van overeenkomsten en verschillen, bepaalde zaken/dingen goed op een rij kunnen zetten om bijvoorbeeld een probleem stap voor stap te kunnen oplossen

 

Divergent denken

Taken waarbij meerdere oplossingen of antwoorden mogelijk zijn

 

Draaideurmodel

Na selectie van de hoogbegaafde leerlingen kunnen deze leerlingen ervoor kiezen  een versneld of ingekort traject te volgen in de reguliere lessen. Als de leerling aan de basiseisen heeft voldaan en tijd overhoudt, mag hij naar een apart lokaal om o.l.v. een projectdocent te werken aan verbreding van de leerstof in de vorm van projecten en andere opdrachten. Op deze manier wordt dit type leerling op zijn eigen niveau uitgedaagd. Hierbij is de specifieke belangstelling van de leerling uitgangspunt voor de verdieping van alle leerstof. Het programma is zo georganiseerd, dat de leerling in en uit de klas kan stappen zonder het klassenprogramma te storen of te verwaarlozen. Hij kan dan praten met een speciale deskundige op het gebied van zijn interesse, zelfstandig een werkstuk maken enz. Om kennis te verzamelen kan de leerling ook een bezoek brengen aan bibliotheek of universiteit.

 

 

 

Emotionele intelligentie(EQ)

Onder emotionele intelligentie wordt verstaan: kennis van de eigen emoties, zelfbewustzijn,een gevoel herkennen op het moment dat het een rol speelt.

Een wetenschappelijke definitie van EQ is: Reeks van non-cognitieve vermogens, competenties en vaardigheden die iemands kans van slagen en het tegemoet treden van eisen en druk vanuit de omgeving beïnvloeden. De EQ bestaat uit 5 belangrijke onderdelen:

Intra-persoonlijk

Inter-persoonlijk

Aanpassingsvermogen

Stressmanagement

Algemene stemming

 

Faalangst

Faalangst is de angst om te mislukken in situaties waarin je (denkt dat je) beoordeeld wordt. Die angst werkt belemmerend. Ten gevolge van die angst presteert men onder het niveau.

Er bestaan twee soorten faalangst: een actieve en een passieve.
Actieve faalangst heeft men nodig om tot fenomenale prestaties te komen. Men werkt hard, kan geen afstand van het werk nemen en komt nauwelijks aan ontspanning toe.
Passieve faalangst ontstaat door de aanwezigheid van bepaalde factoren die het kind blokkeren bij het leveren van prestaties. Het kind stopt met werken, omdat het niet gelooft dat het een goed resultaat zal behalen.

 

Hoogbegaafd

- Een hoog IQ hebben (boven 130 zeg maar)
- Creatief zijn
- De intentie en gedrevenheid hebben dat hoge IQ en deze creativiteit ook om te zetten in

  uitzonderlijke prestaties

 

Hoogbegaafden 6 typen

              I.      De succesvolle

           II.      De uitdager

         III.      De onderduiker

        IV.      De wegloper

           V.      De dubbel geëtiketteerde

        VI.      De autonome

 

Hoogbegaafdheid

Als je hoogbegaafd bent, heb je een goed verstand maar vaak ook een speciale manier van denken en handelen. Je denkt en werkt in grotere sprongen dan andere leerlingen. Je bent creatiever in het bedenken van oplossingen en zelfstandiger in je handelen.

Er bestaat geen éénduidige definitie van hoogbegaafdheid. Er zijn wel vele kenmerken waardoor hoogbegaafdheid herkend kan worden. Als voorbeeld zijn er opvallende motorische, intellectuele en sociale vaardigheden zoals een uitstekende fijne motoriek, een brede interesse, een uitmuntend geheugen en het goed om kunnen gaan met oudere kinderen.

 

IQ (Intelligentie Coëfficient)

Een IQ geeft aan hoe je scoort op een intelligentietest, vergeleken met het deel van de bevolking van jouw leeftijd. De groep mensen, waar de testscore op gebaseerd is, heeft een gemiddelde score van 100 en een standaardafwijking van 15.

Wat is een standaardafwijking? Een standaardafwijking is een maat voor de spreiding van een variabele, in dit geval van de IQ-score. Als de standaardafwijking 15 is, kunnen we ervan uit gaan dat 68 procent van de bevolking tussen de 85 (100 min 15) en de 115 (100 plus 15) scoort. Met andere woorden: 68 procent van de bevolking heeft een score die binnen 1 standaardafwijking van het gemiddelde (100) af ligt. Daarnaast is het zo dat 95 procent van de bevolking een IQ-score heeft die binnen 2 standaardafwijkingen van het gemiddelde ligt. Dus 95 procent van de bevolking scoort tussen de 70 (100 min 30) en de 130 (100 plus 30).

 

Leerstoflijnen

Op sommige scholen hanteert men een model met leer(stof)lijnen. Het (vak)programma wordt ingedikt en in de vrijgekomen uren kunnen de leerlingen werken aan vrij te kiezen activiteiten. Het is ook mogelijk te versnellen. In dit model staat de eigen verantwoordelijkheid van de leerling sterk op de voorgrond.

 

Leerstrategieën

De manier waarop men iets leert

 

Leren leren

Leren leren is veel meer dan leren studeren, veel meer dan sneller lijstjes blokken of betere schema's maken. Zelfstandig leren houdt in: informatie kunnen verwerven, verwerken en toepassen in allerlei situaties en ook jezelf kunnen motiveren. Je leert beter leren als je in staat bent je eigen manier van leren te observeren, te verrijken en bij te sturen waar nodig. En dat is niet alleen belangrijk voor het maken van huiswerk en het voorbereiden van toetsen. Het is een basisvaardigheid voor het leven.

 

Meervoudige Intelligentie

Volgens prof. dr. Howard Gartner is uit hersenonderzoek gebleken dat ieder mens over minimaal acht intelligenties beschikt:verbaal-linguistisch,logisch-mathematisch,visueel-ruimtelijk,muzikaal-ritmisch,lichamelijk-kinetisch,naturalistisch,interpersoonlijk en intrapersoonlijk. Met andere woorden: mensen zijn knap op verschillende manieren en er is niet zoiets als één intelligentie, waarbij iedere persoon meer of minder knap is.

Het gaat dus niet om de vraag hoe knáp een persoon is, maar hóe die persoon knap is.

 

Motivatie.

Motivatie is het geheel van factoren (ook aandriften en beweegredenen) waardoor gedrag gestimuleerd en gericht wordt. Motivatie is geen persoonlijke eigenschap. Motivatie is de bereidheid om zich ergens voor in te spannen. Motivatie zorgt ervoor dat gedrag 'geactiveerd wordt', 'richting krijgt' en 'volgehouden of juist gestopt wordt'.

Uiteindelijk gaat het bij motivatie altijd om het bevredigen van individuele behoeften. Iemand doet iets omdat hij of zij het gevoel heeft er iets positiefs aan over te houden. Er wordt onderscheid gemaakt tussen extrinsieke motivatie en intrinsieke motivatie.

Bij extrinsieke motivatie komen mensen in beweging omdat ze door iets buiten henzelf worden aangezet. De bron van het handelen ligt buiten henzelf, zij worden van buitenaf geprikkeld. De motivatoren zijn bijvoorbeeld geld of status.

Bij intrinsieke motivatie werken mensen vanuit zichzelf. Ze handelen zonder tussenkomst van andere personen of factoren. Zij worden van binnenuit geprikkeld tot handelen. De motivatoren komen bijvoorbeeld voort uit de aard van het werk; het zelfstandig kunnen werken en het hebben van verantwoordelijkheden.

In algemene zin geldt hoe meer mensen zich zelf in hun werk of in een opgave kunnen ontplooien hoe groter de motivatie

 

Onderpresteren

Onderpresteren komt voor in twee vormen: absoluut en relatief.

Absoluut onderpresteren: het kind presteert onder de norm, dwz onder het gemiddelde van zijn/haar omgeving. Deze vorm is gemakkelijk te herkennen.

Relatief onderpresteren: het kind presteert boven de norm, maar beneden de eigen capaciteiten. Dit is een gevaarlijke situatie, moeilijk te onderkennen.

 

Ontwikkelingsvoorsprong

Gezien het feit dat deze kinderen zich sneller ontwikkelen naar taal, kennis en inzicht, humor e.d. toe, hebben ze een ontwikkelingsvoorsprong tegenover hun leeftijdsgenoten. Men stelt vaak vast dat ze hun vrienden eerder bij oudere kinderen dan bijvoorbeeld bij klasgenoten zoeken. Voor die oudere kinderen valt het helemaal niet op dat ze jonger zijn en worden ze als een gelijkwaardige gesprekspartner aangezien.

 

Peers

Peers (ontwikkelingsgelijken, kameraden, vrienden)

Over die peers moet dus gedacht worden als ontwikkelingsgelijken, eerder dan simpelweg zomaar leeftijdsgenoten. Het gaat over de kinderen waarbij jouw kind "aansluiting" vindt omwille van interesses, ontwikkelingsgelijkheid, of simpelweg: wederzijds begrip. Het kan best zijn dat dit net niet zijn of haar leeftijdsgenoten zijn.

 

Performaal IQ:

Meet theoretisch en praktisch inzicht. Het betreft opdrachten die een beroep doen op het vermogen tot ruimtelijke visualisatie (het ruimtelijk inzicht).Een hoog performaal IQ kan vertraging of stagnaties in het onderwijsleerproces veroorzaken, omdat het kind gebruik maakt van een denkproces waarbij hij via het handelen /het voorstellingsvermogen inzicht verwerft  en ook bij voorkeur handelend tot oplossingen komt.

 

Psychosomatische klachten

Psychosomatische klachten zijn lichamelijke klachten waarvoor geen lichamelijke ziekte of afwijking als oorzaak kan worden aangewezen. Het zijn klachten waarvan na onderzoek vaak gezegd wordt dat er "niets aan de hand" is. Er is dan natuurlijk wel iets aan de hand want de klachten zijn er niet minder om. De pijn, misselijkheid of vermoeidheid die men voelt is echt. Deze hangt echter samen met een belasting die psychisch genoemd wordt.

Veel voorkomende psychosomatische pijnklachten zijn hoofdpijn of pijnlijk gespannen spieren in hoofd en nek, soms doorstralend naar armen borst of rug. Het kunnen felle stekende pijnen zijn maar ook wel zeurderige pijnen of meer een gevoel van ongemak. Ook buikklachten kunnen psychosomatisch zijn. Men voelt zich voortdurend ziek of misselijk en darmkrampen komen ook wel voor. En dan is er de vermoeidheid. Het is een veel voorkomende klacht. Men voelt zich al moe bij het opstaan en men wordt moe van de kleinste dingen.

 

Sensomotorische Integratie

Onder sensomotorische integratie wordt verstaan: “de koppeling en terugkoppe­ling tussen senso­rische input en motorische output, waar­door het leren organiseren en coördineren van een groot aantal doel­gerichte activiteiten en een adequate interactie met de omgeving mogelijk wordt”. M.a.w. sensomotorische integratie is de samenwerking tussen waarnemen en bewegen. Hierdoor is het mogelijk om onze bewegingen in doelgericht handelen om te zetten en ons bewust te worden van onszelf en onze omgeving.

 

Sociale vaardigheden

Onder sociale vaardigheid verstaan we het kunnen hanteren van de codes in het sociale verkeer. Sociaal vaardig gedrag is gedrag dat geaccepteerd wordt in de groep waarin men zich bevindt. Als we de codes van de groep niet kennen of codes toepassen die in een bepaalde situatie niet passen, ontstaan sociale problemen.

 

Verbaal/Performaal kloof

Hiermee wordt een significant verschil bedoeld tussen de verbale (heeft betrekking op verbaal d.w.z. gesproken, aangeboden opdrachten) en performale (heeft betrekking op ruimtelijk inzicht) intelligentie.

 

Verbaal IQ: 

Omvat de intelligentie met betrekking tot verbaal aangeboden opdrachten en hangt in hoge mate samen met de prestaties die een kind op school levert (onderwijs is voornamelijk verbaal georiënteerd)

 

Verdieping

Bij verdieping krijgt de leerling op één of  meerdere gebieden andere en meer leerstof aangeboden dan zijn medeleerlingen.

Bij verdieping wordt er dieper op de onderwerpen ingegaan.

 

Verrijking

Bij verrijking krijgt de leerling op één of of meerdere gebieden andere en meer leerstof aangeboden dan zijn medeleerlingen.

Verrijking omvat nieuwe leerstof waarin de leerling een aantal oplossingen van problemen laat zien in bepaalde vakken en/of gebieden.

 

Versnellen

Hier wordt onder verstaan dat een hoogbegaafde leerling sneller door de reguliere stof heen kan . Versnellen kan op verschillende manieren: een groep overslaan of versneld door de leerstof in dezelfde groep.

 

Zelfbeeld
Je zelfbeeld is niet je werkelijke identiteit, maar slechts je ego,  je persoonlijkheid; een sociaal denkbeeld. Degene die je je inbeeldt te zijn in relatie tot anderen.
Het is over het algemeen een denkbeeld waar we ons mee identificeren om door anderen goedgekeurd en gewaardeerd te worden.
En in feite is het dus slechts een (veranderlijk) fantasiebeeld.
Het is van grote invloed op het zelfvertrouwen.